Antisemitisme en anti-zionisme in de Arabische wereld

hitler_housseini.JPG

Eeuwenlang vormden de joden in de islamitische landen samen met de christenen een maar net getolereerde minderheid. Zij moesten extra belastingen betalen en waren onderworpen aan kledingvoorschriften, maar bezaten een grotere religieuze en economische vrijheid dan in de christelijke wereld.

Met de komst van de eerste zionisten naar Palestina, begin twintigste eeuw, begon deze houding te veranderen. De islamitische leider in Palestina, Groot-Mufti van Jeruzalem, zag in de jaren dertig in Hitler een bondgenoot in zijn strijd tegen de joodse kolonisten. Mede onder invloed van nazi-Duitsland ontstond een scherp Arabisch antisemitisme.

In 1948 wordt de staat Israël opgericht. De Arabische landen vallen Israël aan en verliezen de eerste Israëlisch-Arabische oorlog. Al honderden jaren aanwezige joodse gemeenschappen in de Arabische wereld worden daarop met andere ogen gezien; als vertegenwoordigers van de zionistische agressor. Het Arabisch antisemitisme is dan ook niet los te zien van het conflict tussen Israël en de omringende landen.

Religieuze en sociale elementen spelen een ondergeschikte rol: antisemitisme wordt gezien als een politiek wapen in de strijd tegen Israël. De vijandschap tegen Israël wordt geprojecteerd op de Israeli’s en vandaar op joden in het algemeen.

De Groot-Mufti van Jeruzalem

In 1914 werd het blad Falastin - van extremistisch-Arabische signatuur - door de Ottomaanse autoriteiten wegens racistische haatpropaganda opgeheven. Het blad had namelijk geageerd tegen immigratie van joodse vluchtelingen in Rusland. In de jaren twintig verscheen het blad opnieuw en voerde wederom campagnes tegen immigratie van joden. Als gevolg van anti-joodse propaganda en terreur nam de Britse regering tussen de jaren twintig en veertig maatregelen om de immigratie van joden in Palestina te beperken.

In 1921 werd Haji Amin al-Huseini, een extremistisch pan-Arabische nationalist, tot Groot-Mufti, religieus leider, van Jeruzalem benoemd. Drie weken na zijn benoeming leidde hij een pogrom waarbij drieënveertig joden werden vermoord. Vanaf het begin van de Tweede Wereldoorlog voerde de Mufti met steun van nazi-Duitsland, de Iraakse, Syrische en Libanese opstand tegen de geallieerde machten aan.

20 Januari 1941 schreef de Mufti vanuit Bagdad aan Hitler het volgende: ‘(Palestina) vormt een obstakel voor de eenheid en onafhankelijkheid van de Arabische landen, die tegenover de joden van de hele wereld staan: de joden zijn immers gevaarlijke vijanden, wier geheime wapens bestaan uit geld, corruptie en intriges (…) Arabisch nationalisme is Uwe Excellentie dankbaarheid en erkenning verschuldigd, omdat U in Uw schitterende toespraken telkens weer het vraagstuk van Palestina aan de orde stelt. Ik verlang uiting te geven aan mijn dank voor Uwe Excellentie en ik verzeker U van de gevoelens van vriendschap, sympathie en bewondering, die het Arabische volk voor Uwe Excellentie - grote Führer - en voor het Duitse volk koestert. Ik maak van deze gelegenheid gebruik om mij bij de Duitse regering door mijn privé-secretaris te laten vertegenwoordigen, die in naam van de sterkste en grootste Arabische organisatie en namens mij zelf, gesprekken zal voeren over oprechte en loyale samenwerking op alle gebied.’

In oktober 1941 vluchtte de Mufti naar Berlijn, waar hij Hitler ontmoette, die hem steun beloofde voor ‘de oplossing van het joodse vraagstuk’ in Palestina. De Mufti verzorgde Arabische uitzendingen voor radio Berlijn. In een van zijn toespraken voor de radio zei hij: ‘Arabieren, staat op, sluit jullie aaneen en vecht voor jullie heilige rechten. Doodt de joden waar ze maar te vinden zijn. Dit behaagt God, geschiedenis en religie. Dit redt jullie eer. God is met jullie.’

Volgens de getuigenis van een hoge nazi-officier tijdens het Neurenberger proces was de Mufti een van voornaamste pleitbezorgers voor de totale uitroeiing van de joden. In 1947 vestigde hij zich te Caïro, waar hij aanvallen op joodse gemeenten aanvoerde en gevluchte nazi’s opving.

hitler_mufti_hoesseini.JPG

Arabisch antisemitisme na de oprichting van de staat Israël

In de vergadering van november 1947 besloten de Verenigde Naties met drieëndertig stemmen voor, dertien tegen en tien onthoudingen, om Palestina in een Arabische en een joodse staat te verdelen. De Verenigde Naties erkenden daarna de staat Israël. De Liga van Arabische Staten, in meerderheid niet betrokken bij de stemming in de Verenigde Naties, aanvaardde deze verdeling niet. De oprichting van de staat Israël werd gezien als een ontoelaatbare aantasting van het Arabisch karakter van Palestina. Het verzet tegen de joodse staat kwam mede voort uit het antisemitisme van de Islam en het Pan-Arabisch nationalisme, dat al sinds de jaren dertig tot uitdrukking kwam in een positieve houding van Arabische leiders ten opzichte van de nazi’s.

Tussen 1945 en 1948 vonden in Syrië, Irak, Egypte, Libië en Jemen pogroms plaats, die aan honderden joden het leven kostten. Na de oprichting van de staat Israël in 1948 werden honderduizenden joden uit Arabische landen verdreven. In Syrië werd de hele joodse gemeenschap gegijzeld. In 1952 kwam Nasser, een van de medewerkers van de Mufti, met zijn garde van pro-Duitse Vrije Officieren in Egypte aan de macht. Hij gaf naar het Midden-Oosten gevluchte nazi’s hoge functies in het overheidsapparaat. In interviews propageerde hij de verspreiding van de ‘Protocollen van de Wijzen van Zion’.

In december 1953 verklaarde hij: ‘De catastrofe in Palestina heeft geen parallel in de menselijke geschiedenis.’ Tegen een journalist van de New York Post zei hij in 1955: ‘Ik strijd niet alleen tegen Israel, maar ook tegen het wereld-zionisme en het joods kapitaal.’

Ook in andere Arabische landen werd antisemitische propaganda in de media, in het onderwijs en in de cultuur opgenomen en door regeringen gesteund. In tal van artikelen, boeken en toneelstukken werd de legende van de rituele moord verspreid. In Beïroet werd in 1986 ‘De barbarij van de instructies van de Talmoed’ uitgegeven, een vertaling van August Rholings ‘Talmudjude’ uit 1871. In 1985 verscheen in Syrië het boek ‘De Matzoh van Zion’ van Mustafa Tlas, de Syrische minister van defensie. Het Egyptische ministerie van onderwijs liet in 1962 opnieuw het boek ‘Talmudische offers’ van Habib Faris uit 1890 uitgeven. De uitgever schreef in het voorwoord, dat het boek ‘een documentatie bevat van een vonnis, dat op afdoende wijze had bewezen dat de Talmoed het joodse volk leert, dat bloedvergieten een religieuze plicht is.’