Antisemitisme in Rusland
Het antisemitisme werd in Rusland in de voorafgaande eeuwen gevoed door de Russisch-Orthodoxe kerk, met name rond de paasviering. Eind negentiende eeuw vonden regelmatig door de overheid getolereerde moordpartijen, pogroms, plaats, vooral na de sociaal-economische moeilijkheden.
De revolutie van 1917 veroordeelde het antisemitisme en erkende de eigen identiteit van de Joodse groep, hoewel het vrijwel onmogelijk was daaraan gestalte te geven. Onder Stalin was er sprake van duidelijke antisemitische opvattingen. Dit bleek vooral uit het zogenaamde Doktersproces in 1953: Joodse artsen werden onder valse beschuldigingen van gifmoord gevangen gezet.
In de van staatswege gevoerde propaganda tegen Israël en het zionisme werd regelmatig geput uit eeuwenoude antisemitische beeldtaal. Tot in de jaren tachtig was het voor de Russische Joden vrijwel onmogelijk Hebreeuws te leren of de Joodse godsdienst uit te oefenen. Verzoeken voor emigratie betekenden meestal het begin van een lange lijdensweg. Tijdens het Sovjet-tijdperk leek er sprake van verbetering, maar de Glasnost had ook negatieve effecten.
Doordat allerlei meningen openlijk geuit konden worden, namen de antisemitische geluiden toe, zoals bijvoorbeeld het geval was binnen de ultra-nationalistische Pamjat-beweging.
Propaganda tegen Joden, kosmopolieten en zionisten
Binnen de bolsjewistische beweging heerste in de jaren voor de Russische Revolutie de opvatting dat het Jodendom een achterlijk overblijfsel uit het verleden was zonder enige toekomst. De strijd voor nationale gelijkberechting voor de Joden zou een struikblok vormen voor de klassesolidariteit. Men ging er van uit, dat het Joods proletariaat in de arbeidersklasse zou opgaan. Als de dictatuur van het proletariaat was gevestigd, zou ook het antisemitisme verdwijnen.
De gelijkberechtiging die de Joden als gevolg van de burgerlijke revolutie van maart 1917 hadden verkregen, werd gehandhaafd na de communistische revolutie in oktober van hetzelfde jaar. Maar vanaf het begin van de jaren twintig werden hun rechten steeds meer beperkt: het Hebreeuws werd als reactionaire taal verboden, Joodse instellingen werden opgeheven en zionisten werden op grote schaal vervolgd. Tegelijkertijd werd antisemitisme veroordeeld.
In 1926 verklaarde Michail I. Karalinin, het staatshoofd van de Sovjet-Unie, dat ‘de intelligentsia vandaag misschien nog antisemitischer is dan onder het regiem van de tsaren’. Het beleid van staat en partij stond echter in het teken van ‘de totale vernietiging van het zionistische monster’. Tussen 1936 en 1939 lanceerde Stalin een intensieve campagne tegen de zionistische-imperialistische onderdrukking van de Palestijnse Arabieren.
In de loop van de Tweede Wereldoorlog veranderde de internationale politiek van de Sovjet-Unie ten gunste van een Joodse staat in Palestina. Aan het thuisfront werd echter Israël als een vorm van burgerlijk-Joods nationalisme verketterd. Veel Joodse intellectuelen en kunstenaars werden tijdens felle campagnes als kosmopolieten berecht. Toen echter bleek dat door de steun, die de Sovjet-Unie aan de staat Israël gaf, die invloedssfeer in het Midden-Oosten niet werd uitgebreid, veranderde in de communistische landen onder leiding van Moskou de strijd tegen de Joden als kosmopolieten in een campagne tegen de Joden als zionisten.
In 1952 werden in Oost-Europese landen showprocessen gevoerd, waarin Joodse communisten als zionistische, burgerlijk-nationalistische verraders van het volk en als samenzweerders tegen de staat ter dood werden veroordeeld. In de jaren zestig werden zionisten in allerlei publicaties als handlangers van het nazisme gezien. Na de Zesdaagse Oorlog in 1967 werden zionisten in de propaganda met nazi’s gelijkgesteld. Wijde verspreiding hadden de staatsuitgaven ‘Judaisme en zionisme’ van T. Kichko in 1968 en het boek ‘Pas op: Zionisme’ van J. Ivanov in 1969. Hierin werden Joodse organisaties en instellingen als onderdelen van een ‘internationale joodse samenzwering’ beschreven en het Jodendom als een religie die haar aanhangers zou ‘oproepen tot slavernij en genocide van alle volkeren’.
De Pamjat-beweging
In Russische nationalistische kringen ontstond in de jaren tachtig een beweging, die zich manifesteerde als een vereniging voor het behoud van het traditionele Russische culturele erfgoed. In de periode van Glasnost werd deze beweging in het openbaar actief onder de namen Pamjat ( vertaald ‘Herinnering’) en Otechenstvo (vertaald ‘Vaderland’). Karakteristiek voor de publicaties van Pamjat is het ‘Appèl aan het Russische volk’ uit 1987:
‘Wie zou tegen zijn eigen volk durven op te treden? Alleen degenen die hiervan zijn afgesneden, die de volksziel niet kennen en niet in staat zijn deze te begrijpen. Zij zijn het, die nu iedereen ervan proberen te overtuigen dat er geen duistere krachten binnen de staat bestaan en dat er geen samenzwering is (…) In wiens handen zijn de media? (…) We tekenen verzet aan tegen alle duistere krachten in partij en staat. De strijd moet nog gestreden worden!’
‘Internationaal zionisme en vrijmetselarij hebben hun masker afgeworpen en zijn in de aanval gegaan tegen de laatste resten van spiritualiteit en nationaal bewustzijn! (…) De pers, radio en TV spreken over kosmopolitisme en idolatrie van het Westen, en sluiten uit wat echt nationaal is en aan het volk toebehoort (…) Wij eisen, samen met het volk, dat alle krachten gemobiliseerd om het gevaar van het zionisme in ons land te ontmaskeren, en dat er een einde wordt gemaakt aan de acties van degenen die hun vaderland voor dertig zilverlingen verkopen!’
‘Roept een halt toe aan de kosmopolieten! (…) Wij willen de eeuwenoude tradities van de boeren in ere herstellen. We moeten de mens weer naar het land terugbrengen. Haal de monstersteden neer! (…) Onze strijd begint nu pas. Dit appel zal in jullie harten weerklank vinden en als jullie de angst voor fysiek geweld overwinnen, zullen jullie tot acties overgaan (…) Tenslotte willen we in het bijzonder benadrukken, dat de nationalistische beweging van de Pamjat niets te maken heeft met chauvinisme, antisemitisme of welke vorm van racistische discriminatie dan ook! (…) We zien in dat kosmopolitisme alles, wat nationaal is, penetreert met behulp van internationaal zionistisch kapitaal. Wie gelooft dat het probleem van het zionisme en vrijmetselarij een verzinsel is, is de vijand! (…) Welnu, we kennen de waarheid! In plaats van aanklagers moeten we nu strijders worden!’