Conclusies Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak
Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft al in een vroeg stadium het beleid vastgesteld voor het verlenen van politieke steun van Nederland aan de inval van de Verenigde Staten in Irak. Dat gebeurde begin augustus 2002 tijdens een overleg tussen de pas aangetreden minister van Buitenlandse Zaken De Hoop Scheffer en een kleine groep ambtenaren.
Uit dit overleg zijn de beleidslijnen voortgevloeid die hun plaats hebben gevonden in de eerste brief van de minister aan de Tweede Kamer over dit onderwerp, 4 september 2002. Noch de ministerraad noch minister-president Balkenende of de toenmalige minister van Defensie Korthals zijn vooraf over de inhoud van deze brief geraadpleegd. De brief werd de basis voor het kabinetsbeleid dat uiteindelijk uitmondde in het regeringsstandpunt van 18 maart 2003. Dat concludeert de Commissie van Onderzoek Besluitvorming Irak (Onderzoekscommissie) in haar vandaag verschenen rapport. Commissievoorzitter Davids heeft het rapport vandaag aangeboden aan minister-president Balkenende, onder gelijktijdige toezending van het rapport aan alle leden van de ministerraad en alle leden van de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal. Daarna heeft de heer Davids het rapport toegelicht tijdens een persconferentie.
Volgens de Onderzoekscommissie heeft de minister-president weinig of geen leiding gegeven aan de debatten over de kwestie Irak; hij liet het dossier-Irak geheel over aan de minister van Buitenlandse Zaken. Later, namelijk na januari 2003, is de premier zich wel met dit dossier gaan bemoeien. Maar het regeringsstandpunt, zoals door Buitenlandse Zaken geformuleerd, lag toen vast, aldus de commissie.
Volkenrechtelijke legitimatie
Ook concludeert de Onderzoekscommissie dat de kwestie van de volkenrechtelijke legitimatie door het toenmalige kabinet ondergeschikt werd gemaakt aan de in augustus 2002 door Buitenlandse Zaken uitgezette beleidslijnen. Hetzelfde geldt voor de manier waarop met de informatie van de inlichtingendiensten en de rapportages over de wapeninspecties in Irak is omgegaan. Wat betreft het volkenrechtelijke mandaat concludeert de Onderzoekscommissie dat de Veiligheidsraadresoluties over Irak uit de jaren negentig geen mandaat gaven voor het Amerikaans-Brits militair ingrijpen in 2003. Anders dan het Nederlandse kabinet heeft gedaan, kan de tekst van resolutie 1441 - ondanks enkele dubbelzinnigheden - redelijkerwijs niet worden uitgelegd als een vrijbrief voor individuele lidstaten om zonder nadere besluitvorming door de Veiligheidsraad met militair geweld de naleving van diens resoluties af te dwingen, stelt de commissie.
Rapporten AIVD en MIVD
Wat betreft de informatie van inlichtingendiensten en internationale rapportages over wapeninspecties concludeert de Onderzoekscommissie dat de AIVD en de MIVD nauwelijks over zelfstandig ingewonnen informatie over het Iraakse wapenprogramma beschikten. Beide diensten baseerden zich vooral op de rapporten van de VN-wapeninspecteurs en op berichten van buitenlandse inlichtingendiensten. Wel meent de commissie dat de AIVD en de MIVD zich, de geheleperiode overziend, terughoudender hebben opgesteld over de dreiging die uitging van het Iraakse wapenprogramma dan de Nederlandse bewindspersonen deden in de communicatie met de Tweede Kamer. De rapporten van de AIVD en in het bijzonder de MIVD waren volgens de Onderzoekscommissie genuanceerder dan de openbare buitenlandse rapporten. Deze nuanceringen werden niet door de betrokken ministers en departementen overgenomen. Uit de rapporten van de diensten werden van kabinetszijde slechts die uitspraken gedestilleerd die pasten in het reeds ingenomen standpunt. Het kabinet heeft zich volgens de commissie in haar beeldvorming over het Iraakse wapenprogramma in belangrijke mate laten leiden door, al dan niet openbare, inlichtingeninformatie van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Ook in een debat met de Vaste Commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten van de Tweede Kamer liet het kabinet achterwege de nuanceringen in de rapporten van de AIVD en MIVD nader te duiden. Anders dan in het rapport van de Onderzoekscommissie is vastgesteld, stelde de minister van Defensie in de Tweede Kamer dat de rapporten van de AIVD en de MIVD en de uitlatingen van bewindspersonen niet met elkaar op gespannen voet stonden.
Verzoek VS
Een volgende conclusie van de Onderzoekscommissie is dat het kabinet tegenover de Staten-Generaal geen volledige opening van zaken heeft gegeven over het aan ons land op 15 november 2002 door de Verenigde Staten gedane verzoek mee te werken aan de planning van de opbouw van een militaire macht die Irak tot toegeven aan resolutie 1441 moest dwingen. Tot slot stelt de Onderzoekscommissie vast dat haar onderzoek geen bewijs heeft opgeleverd voor beweringen dat Nederland een actieve militaire bijdrage zou hebben geleverd aan (de voorbereiding van) de inval in Irak. Ook concludeert zij dat bij het besluit politieke steun te verlenen aan de oorlog in Irak een eventuele benoeming van minister De Hoop Scheffer tot secretaris-generaal van de NAVO geen rol heeft gespeeld. Evenmin heeft de commissie aanwijzingen gevonden dat de politieke steun was gemotiveerd door Nederlandse handelsbelangen. Verder is de commissie gebleken dat het onderwerp Irak formeel geen deel heeft uitgemaakt van de formatieonderhandelingen tussen CDA en PvdA in 2003. Tussen de partijleiders Balkenende en Bos is wel informeel contact geweest. Maar zij hebben geen duidelijke afspraak gemaakt over de door de PvdA te verlenen steun aan het besluit van het kabinet om politieke steun uit te spreken voor een inval van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in Irak, aldus de Onderzoekscommissie.
