Kneepkens dicht op Allerzielen: ‘De dood is speels in November…’
Door: Wouter Engler
Manuel Kneepkens (66) kreeg afgelopen zondag de eer om een gedicht voor te dragen onder het motto ‘leven, dood en de vooruitgang’ vanuit het ‘Baarhuisje’ op de Oude Begraafplaats van Overschie.
Het is de elfde keer dat het Museum Oud Overschie een bekende heeft uitgenodigd om exclusief werk voor te dragen op de Katholieke herdenkingsdag ‘Allerzielen’. De eer valt deze keer te beurt aan Kneepkens, die in de maasstad vooral bekend is geworden als de grote roerganger van de opgeheven Stadspartij. Kneepkens: ‘Ja, het waren leuke en spannende tijden in de raad. Pure nostalgie natuurlijk, want ik ben nu al enige tijd bezig met dichten.’
Kneepkens vertrekt naar de Oude Begraafplaats, waar hij vanuit het Baarhuisje zijn voordracht gaat geven. Terwijl iedereen hem volgt, vertelt onderweg een medewerker van het Museum Oud Overschie kort en krachtig over de voorgeschiedenis van het Baarhuisje:‘Het stamt nog uit de Franse overheersing. En werd aangelegd voor het bewaren van de lijkbaar en materialen. Indertijd was met de aanleg een enorm bedrag van zeker 3000 guldens gemoeid.’
De geïnteresseerden hebben zich inmiddels op de begraafplaats verzameld. Jeanette Hildijk is één van hen en schrijft naar eigen zeggen zelf ook gedichten. ‘Ik kom regelmatig op begraafplaatsen. Het is niet macaber, want er gaat toch een zekere schoonheid vanuit als ik de half vergane bloemstukken soms zie op de graven. Ja, het geeft me rust en inspiratie. En daarom is het ook leuk dat een veelzijdige dichter zoals Kneepkes hier gaat voordragen.’
Kneepkens vertelt vervolgens over zijn bewondering voor de ‘funeraire poëzie’ aangetroffen op grafzerken. En zegt wanneer hij halverwege is: ‘De dood is speels in November…Aan meligheid, overigens, geen gebrek. Op een tandarts: Hier vul ik mijn laatste gaatje. Op een homo: Neef Jan, die hier begraven ligt was in zijn leven ook een nicht. Op een nudist: Hier in een kist ligt een nudist. Op zijn verzoek zonder broek.’
Bulderend gelach klinkt op de begraafplaats. En na afloop moet de trotse dichter tot zijn tevredenheid vaststellen: ‘Er is een taboe op de dood, maar de mensen kunnen er niet altijd somber onder blijven. Er heerst toch altijd een soort van opluchting van: ik ben het gelukkig niet.’